Vlaanderen is sinds 1989 bevoegd voor openbaar vervoer. Sindsdien, en vooral de laatste 10 jaar, heeft de Vlaamse overheid fors geinvesteerd in het regionaal en stedelijk openbaar vervoer. Dit gebeurde via aanbodverhogingen in het kader van het decreet basismobiliteit dat strikte bedieningsnormen oplegt per woongebied. Daarnaast kreeg de Lijn ook opdracht om haar tarieven sterk te verlagen en te vereenvoudigen. Voor bepaalde doelgroepen is het stads- en streekvervoer in Vlaanderen ondertussen gratis. Lokale overheden hebben de mogelijkheid om via verschillende derdebetalersystemen nog een eigen accent te leggen naar een voor hen belangrijke doelgroep. Ondertussen is ook het besluit netmanagement in werking, dat bovenop de normen basismobiliteit het netwerk wil aanvullen met verbindingen naar tewerkstellingszones en andere functionele bestemmingen.
Het resultaat van beide maatregelen is erg zichtbaar: het openbaarvervoergebruik in Vlaanderen is gevoelig toegenomen, en De Lijn wordt beschouwd als een dynamisch
bedrijf en erkend als actor in het mobiliteitsdebat.
Aan de andere kant is ook het gewicht van De Lijn in de Vlaamse begroting fors toegenomen. Het is dus tijd om na te gaan of deze investeringen en de bereikte resultaten
de best haalbare zijn in vergelijking met de buurlanden;
Waar stond Vlaanderen 10 jaar geleden op vlak van openbaar vervoer, en waar staat het nu?
Hoe is de evolutie geweest in de omliggende regio's?
Waar is Vlaanderen voorop en waar zijn er nog verbeterpunten?
En wat zijn op basis van deze analyse de beleidsaanbevelingen voor de toekomst?
Het antwoord op deze vragen maakt het voorwerp uit van deze studieopdracht.
Het doel van de studie is met name een goed beeld te krijgen van de effecten van de inspanningen die de afgelopen jaren in Vlaanderen door de verschillende actoren zijn
geleverd op vlak van openbaarvervoerbeleid.
De studie bestaat uit drie delen :
afbakenen van de factoren waarvoor een vergelijking interessant is, de keuze van relevante regio's;
de beschrijving en becommentariering van de gelijkenissen en verschillen;
de conclusie moet aangeven waar Vlaanderen ondertussen sterk staat op vlak van openbaar vervoer en waar er nog tekorten zijn.