Het
Decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid (Mobiliteitsdecreet) legt de krijtlijnen vast voor het Vlaamse mobiliteitsbeleid waarbij wordt gestreefd naar een integrale aanpak van de mobiliteitsproblemen op alle beleidsniveaus. Op lokaal niveau heeft deze aanpak reeds vorm gekregen via het instrumentarium van de mobiliteitsconvenants (en de gemeentelijke mobiliteitsplannen). Met die aanpak loopt Vlaanderen duidelijk voorop in Europa.
De wijzigen die het Decreet van 10 februari 2012 hebben ingebracht in het Mobiliteitsdecreet leiden tot een volledige integratie van een nieuwe regelgeving met betrekking tot de omkadering van het duurzame lokale mobiliteitsbeleid, de verplichting van de opmaak en evaluatie van het gemeentelijk mobiliteitsplan en de opheffing van het Decreet van 20 april 2001 betreffende de mobiliteitsconvenants.
De missie van het Mobiliteitsdecreet is de randvoorwaarden te scheppen voor een duurzame mobiliteitsontwikkeling. Dit wordt vertaald in een aantal concrete doelstellingen: de bereikbaarheid van economische knooppunten en poorten waarborgen, iedereen de mogelijkheid bieden zich te verplaatsen, de verkeersonveiligheid terugdringen, de verkeersleefbaarheid verhogen en schade aan milieu en natuur terugdringen. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het STOP- en participatiebeginsel.
Om deze duurzame mobiliteit in de praktijk te realiseren zijn vele partijen betrokken: het Vlaams Gewest en de eronder ressorterende diensten en agentschappen, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaams Gewest belast zijn met taken van openbaar nut. Denk onder andere aan het Departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW), het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) en de Vlaamse Vervoersmaatschappij - De Lijn (VVM).
Om efficiënt, kwalitatief en geïntegreerd projecten te realiseren zijn ze dan ook aangewezen om samen te werken en te overleggen. Om die samenwerking in goede banen te leiden werd een organisatorisch kader vastgelegd waarbij specifieke overlegorganen zijn opgericht. In het bijhorend
Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 werden nadere regels bepaald voor de werking van deze overlegorganen en hoe bij de opmaak van de mobiliteitsplannen en projecten aandacht wordt besteed de inhoudelijke en procesmatige kwaliteitszorg. Daarnaast zijn ook de bepalingen vastgelegd met betrekking tot de financiering en de samenwerking bij de opmaak en uitvoering van de gemeentelijke mobiliteitsplannen.